Rolmodel: man

Het is nu ruim tien jaar geleden dat ik, na wat losse uitzendklussen mijn eerste echte baan kreeg. Zonder er erg in te hebben begon ik met werken in een sector waar ik nooit meer helemaal uit weg zou gaan. Ov bleek boeiender dan ik ooit had durven denken.

Er is één ding dat altijd opviel: het gebrek aan vrouwen in de sector. Ik had altijd wel ergens een vrouwelijke collega, maar daartegenover stonden tien mannen. Op bijeenkomsten in het vakgebied speelde ik het spelletje ‘zoek de andere vrouw’. Ik kwam zelden boven de 10 procent van de aanwezigen uit. Bovendien raakte ik in de loop der jaren weleens een vrouw kwijt omdat ze toch liever iets anders deed. Nu hoor ik u denken: er zijn toch vrouwen in de ov-sector? Ja, die zijn er en ik ben erg blij met mensen als Corina de Jongh en Alexandra van Huffelen, die regelmatig tegenover een zaal vol mannen in donkere pakken staan. Ik geef het je te doen, als je zelf de enige in een fleurige outfit bent.

Harde cijfers over het aandeel vrouwen in de ov-sector zijn er niet. Organisaties als CBS en UWV tellen de ov-sector als onderdeel van andere sectoren, waardoor de statistieken van vervoer vervuild raken met vrachtwagenchauffeurs en stewardessen. De ledenpagina van Railforum geeft een aardige indicatie. Railforum heeft ruim negentig leden, die met naam van de organisatie en vertegenwoordiger op de website staan. Van die ruim negentig vertegenwoordigers zijn er acht vrouw. Op de Zelfstandig Professional-pagina, zijn de verhoudingen niet veel beter; bijna zestig leden, waarvan zes vrouw.

Een verklaring zou kunnen zijn dat de ov-sector graag bèta´s heeft, en meisjes simpelweg te weinig voor bèta-studies kiezen. Laat ik dat nou onzin vinden. Ja, er studeren minder meisjes dan jongens aan technische opleidingen. Maar het lukt blijkbaar niet vaak genoeg om die schaarse bèta-vrouwen te winnen en vast te houden in het ov. Bovendien zijn er genoeg functies in de ov-sector waarvoor helemaal geen bèta-achtergrond nodig is. Ook daar zijn er zo weinig vrouwen dat de verhouding niet wordt rechtgetrokken.

Dit is overigens geen Nederlands fenomeen; het UITP organiseerde recent de conferentie ‘Women’s employment and gender policy in urban public transport companies in Europe’, waar Alexandra van Huffelen een van de sprekers was. De UITP streeft naar 25 procent vrouwelijke medewerkers in Europese ov-bedrijven, Van Huffelen’s GVB legt de lat op 50 procent. GVB telt momenteel 24 procent vrouwen in het personeelsbestand.

Toen ik een aantal jaar terug meewerkte aan een seminar over communicatie in de ov-sector lukte het wel. De zaal zat voor iets meer dan de helft vol met vrouwen, de voorzitter was een vrouw, en een flink deel van de sprekers ook. Er zijn dus wel vrouwen in deze sector, in ongeveer alle ondersteunende plekken van de organisatie. Maar die zie je maar weinig op bijeenkomsten. Zo lang we blijkbaar collectief belang hechten aan mannen die technisch jargon uitspreiden over congreszaaltjes, gaan we ze niet zien ook. Het rolmodel in deze sector is nog altijd een man. Dat is, zacht gezegd, niet altijd het juiste voorbeeld als je als 25-jarige aan je eerste baan in deze sector begint.

We hebben hier niet zozeer te maken met een glazen plafond, maar meer met een sectorale cultuur. Die cultuur komt er ofwel op neer dat wat vrouwen doen zelden belangrijk genoeg is voor een portie exposure, of dat vrouwen zelf niet genoeg de spotlights opzoeken. Want die spotlights, die hebben we nodig als we vrouwelijke rolmodellen willen, en hen bekend willen maken bij een groter publiek. Ik heb het niet alleen over vrouwen op directieniveau, maar op alle niveaus en functies in de hele sector. Het maakt niet uit wat je doet, maar dàt je er toe doet.

Laat een reactie achter