De magie en het gemis

De magie en het gemis

Dat het land op slot ging trok een streep door plannen voor een serie verhalen over stationsbeleving. Naast coronarisico’s zou het onverantwoord en niet sociaal zijn om daarvoor een kostbare plaats in het ov bezet te houden. En voor je plezier een eind treinen met een mondkapje op? Vergeet het. Maar het gemis doet zich gelden.

Spoorseksueel ben ik niet echt, maar mijn eerste keer vergeet ik nooit. In het voorjaar van 1965 ging ik samen met mijn vader en grote broer met de trein van Oldenzaal naar Hengelo om bij oma op bezoek te gaan. Ik was zes en ik keek onderweg mijn ogen uit. Naar het landschap, het interieur, de mensen. Ik plus trein, dat paste.

Jongens waren we, maar groene jongens

Schiphol staat onbetwist op 1 in mijn lijst van mooiste stations. Alleen al vanwege de magistrale dieptewerking in de ondergrondse zuilenrijen.

Later kon mijn broer niet wachten tot hij zich per motor en auto mocht verplaatsen. Ik heb nooit een rijbewijs gewild. Dat magische eerste ritje was het begin van een levenslange liefde voor reizen per trein. Oldenzaal bleef voor mij nog jaren de uitvalsbasis, Hengelo het eerste knooppunt: daar kon je overstappen naar alle windrichtingen in Nederland.

Tienertoer

Als dertienjarige deed ik dat in 1972 voor het eerst op grote schaal, op Tienertoer met klasgenoot Michiel. Acht dagen achtereen reisden we door het land, naar steden en attracties die we zorgvuldig hadden uitgekozen. Ik herinner me de fascinatie. Hoe ontspannen treinreizen is, de verrassende ontmoetingen, het geraffineerde spoorwegnet, de geheimen van het goede oude Spoorboekje en het fenomeen dat de rails op het spoor naast het jouwe je ogen vanaf je fixatiepunt vanzelf geleiden naar een verdwijnpunt. Die blik werp ik nog steeds af en toe, met altijd de herinnering aan die Tienertoer.

Het Peerd van Ome Loeks bewaakt in Groningen tegenwoordig het golvende Stadsbalkon waaronder duizenden fietsen staan geparkeerd. Het Peerd staat nog altijd met de billen richting binnenstad en niet richting station: een voorwaarde die NS in 1959 aan de plaatsing verbond.

Voordelen

Twee andere klasgenoten, Marcel en René, reisden in dezelfde periode en op sommige dagen reden we een traject gezamenlijk. We wogen op een ochtend reizen per trein en auto tegen elkaar af. “Met de auto kun je zelf bepalen wanneer je weg wilt,” stelde Marcel vast, “en de trein brengt je niet overal.” Waar ik tegenoverstelde dat de trein geen parkeerruimte in binnensteden inneemt en veel minder vervuilt. “Ze zouden een elektrische auto uit moeten vinden.” René voorzag een probleem dat bijna vijftig jaar later werkelijk een rol speelt: “Al die elektriciteit moet ook ergens vandaan komen.” We dachten aan Zwitserland en waterkracht, aan energie uit wind en zon. En vooral niet aan kerncentrales. Jongens waren we, maar groene jongens.

Het kopstation Vlissingen. Van land naar zee in Zeeland: wie verder wil naar de Overkant, zoals Zeeuws-Vlaanderen op Walcheren wordt genoemd, gaat vanaf hier met de boot.

Vertraging

Het relaxte van reizen per trein breidt zich voor mij uit naar vertraging. Soms mis ik moedwillig een aansluiting, om op een station, of alleen een perron, even de benen te kunnen strekken, de tijd te nemen voor een slentering en voor dwalende gedachten. En om het station te bestuderen: daar zit ook in ons land veel moois tussen, zowel in klassieke stationsgebouwen als de modernste.  Altijd is er het spel van licht en lijnen in de overkappingen, traditionele als in Hengelo en Deventer of eigentijdse als Lelystad en Rotterdam. Ik kan me erin verliezen.

Rituelen

Tegenwoordig woon ik in Zwolle, op een kwartiertje lopen van het station. Een dagje uit per trein heeft rituelen: bammetjes mee, een spannend boek, een beker koffie uit de kiosk. En voor de terugreis weer een koffie, een hartige lekkernij en de tweede helft van het boek – als ik

Met de trein terug naar Zwolle na een stevige fietstocht – ook dat zit er voorlopig niet in, voor fietsen is geen ruimte in de anderhalvemetertrein.

me niet overgeef aan het laten bezinken van de indrukken van de dag. Van zo’n thuisreis, zeg vanuit Vlissingen, mijmerend in de avondschemer en de duisternis, in een allengs minder volle trein, geniet ik dikwijls nog meer dan van de bestemming.

Dat gevoel, dat mis ik vooral, in de ultieme vertraging die anderhalvemetersamenleving heet. Wordt reizen per trein ooit weer gewoon? Als het virus verdwijnt of dankzij vaccinatie geen kwaad meer kan, ben ik dan mentaal in staat gewoon weer in een volle trein te stappen, met al die mensen, zo dichtbij? Ik hoop het. En ik betwijfel het.

 

OV-Magazine is benieuwd naar uw ov-ervaringen in coronatijd. Via redactie@ovmagazine.nl kunt u ze met ons delen.

Dit artikel is verschenen in OV-Magazine 2/2020. Wilt u OV-Magazine voortaan in print of digitaal ontvangen? Neem contact op of neem een abonnement.

Eén reactie

  1. Erna
    1 september 2020 om 10:14- Reageren

    Jos, wat een prachtig verhaal.
    Ik hoop dat je snel weer vanaf station Zwolle kunt opstappen.

Laat een reactie achter

Lees ook