Een utopisch plaatje

Sinds jaar en dag werpt de ov-sector begerige blikken op de subsidie voor doelgroepenvervoer. Het vervoer van mensen naar dagbesteding, instellingen, sociale werkplaatsen, speciaal onderwijs en ziekenhuizen kost de overheid bijna een miljard euro per jaar. De exploitatie van het regionaal openbaar vervoer kost de ov-autoriteiten ook ongeveer één miljard euro per jaar. Dan is de optelsom gauw gemaakt: 1 + 1 = 2.

Als we reizigers in het doelgroepenvervoer nu eens overhevelen naar het openbaar vervoer – zo is de gedachte – dan snijdt het mes aan twee kanten. Eén: gemeenten en ministeries zijn minder geld kwijt aan het relatief dure doelgroepenvervoer met taxi’s en taxibusjes (met gemiddeld net iets meer dan één reiziger). Twee: ov-autoriteiten krijgen meer dekking (zowel in geld als in reizigers) voor hun bussen, trams, metro’s en regiotreinen.

Dit ideaalplaatje heeft zelfs de ‘Contouren Toekomstbeeld OV 2040’ gehaald: “We combineren gelden voor doelgroepenvervoer en openbaar vervoer”. Mooi toch, zo’n nobel streven naar meer mensen die zelfstandig met het ov reizen? Nou, nee. Het samenvoegen van doelgroepenvervoer en openbaar vervoer is een utopisch financieel plaatje.

Want de voordelen van deze operatie belanden vooral bij de overheid: lagere kosten voor taxibusjes, betere benutting van ov. De nadelen worden afgewenteld op vaak kwetsbare reizigers. Zij worden niet meer bij hun voordeur opgehaald, maar moeten zelf naar de halte zien te komen. En zij hebben niet altijd meer een directe rit, maar moeten soms onderweg overstappen. Voor de goede orde: doelgroepen waar we het hier over hebben zijn vaak minder goed ter been en minder zelfredzaam.

De hoofdreden om doelgroepenvervoer en ov niet op één hoop te vegen is het onoverbrugbare verschil: in snelheid van het systeem en bejegening van de passagier. Het ov trekt zich terug uit dorpen en concentreert zich op drukke assen: één halte aan de rondweg in plaats van drie in het dorp. Het ov is haastiger. Een chauffeur van een taxibusje heeft meer persoonlijke aandacht, helpt met instappen en zet de eventuele rolstoel vast. Ooit een buschauffeur een bejaarde een arm zien geven om hem of haar naar een zitplaats te begeleiden?

Mensen aanmoedigen om met de bus te gaan als ze dat kunnen en willen: prima, goed idee. Bussen, haltes en reisinfo beter toegankelijk maken: perfect, wordt iedereen blij van. Zwakkeren al dan niet met zachte hand dwingen voortaan met de bus te gaan? Nee, doe het niet. Stop ermee. Zonde van je energie, tijd en moeite.

Eén reactie

  1. u.a.cazius
    4 oktober 2019 om 13:57- Reageren

    Marc,

    Een goede reactie, want het lijkt alsof de vervoerautoriteit geen belangstelling heeft voor het effect dat zoiets heeft op de doelgroepenreiziger.
    Deze ex-buschauffeur heeft dat wel gedaan en waarom? Dan verloopt het in-en uitstappen sneller. Het tweede voordeel is dat deze ex-buschauffeur zijn souplesse heeft behouden. Dat zelfde geldt als reizigers met een buggy/kinderwagen of boodschappenkarretje aan de chauffeur vertellen waar die persoon wil uitstappen. Dan kan hij rekening houden met het aanrijden van de bushalte.

    Nog een ander aspect is de vormgeving van dat halteperron. Daar houdt de ontwerper van de haltekom/halteperron geen rekening mee.Over de hele lengte moet dat perron een hoogte hebben van 18 centimeter. Omdat het aanrijden van de bushalte altijd op dezelfde wijze geschiedt, krijg je snel een rijgoot van de rechterwielen van de bus. Het hoogteverschil is dan geen 18 centimeter meer, maar veel meer. Dus blijft de chauffeur verder van het halteperron. Die wil geen schade aan de onderkant van zijn voertuig oplopen.

    Een oplossing is:
    1) de rijgoot en het halteperron zijn constructief uit één geheel gemaakt. Dat schept de chauffeur vertrouwen.
    2) het totale halteperron wordt in twee delen “gesplitst”: het eerste deel van het halteperron moet gelijk zijn aan het wegdek en het tweede deel heeft dan de hoogte van 18 centimeter.. Bij het inrijden van de haltekom kan de chauffeur met zekerheid over dat begin van dat halteperron met zijn kop over heen zwaaien en stuurt dan scherp “terug”. Het gevolg is dat dan ook de achterdeur “strak” langs het dan verhoogde halteperron komt te staan.
    Als je een auto in “file” moet parkeren, dan doe je dat in zijn achteruitversnelling. De buschauffeur moet het altijd “vooruit” doen.

    Dit idee van Gerd Aberson stamt uit 1981 en heeft helaas GEEN aandacht gekregen dat het verdient. Het Tijdschrift OV besteedde daar destijds wel aandacht aan.

    Mijn gemis in het OV-magazine is dan ook dat aan de verkeerskundige zijde van het OV nauwelijks aandacht wordt besteed.

    Indien gewenst, wil ik daar met jou verder van gedachten wisselen.

    Vriendelijke groet,

    Bram Cazius

Laat een reactie achter